Waar blijft het IoT-keurmerk? Deel 1.

by Paul23 november 2016

The Internet of Things is voorbij het stadium van een puur ‘hype-woord’. Dat is niet alleen onze constatering, maar het wordt door marktonderzoeksbureau Gartner onderschreven. En toch lijkt het alsof IoT nog maar in de kinderschoenen staat. Een analogie met het begin van de personal computer is dan ook zo gemaakt: er is een oerwoud aan standaarden, dataformaten, hardware en software. En slechts een gering aantal daarvan ‘spreekt met elkaar’. Verwarring alom. En dat werkt een brede acceptatie en invoering van IoT-oplossingen niet in de hand. Wordt het geen tijd voor een IoT-keurmerk?

In de beginperiode van de personal computer waren er legio fabrikanten die een dergelijk apparaat fabriceerden, al dan niet in de vorm van ‘doe-het-zelf kitjes’. Er was ook een grote verscheidenheid aan bijbehorende hardware, software en dataformaten. Wie echter een pc met het besturingssysteem CP/M had, kon niet zoveel doen met de DOS-pc van de buurman. En vice versa. Inmiddels is dat beeld verleden tijd. Al zijn er nog steeds verschillende typen hardware (IBM pc versus Apple MacIntosh) en besturingsystemen (Windows versus Google Chrome versus Apple MacOS/iOS). Tegenwoordig kunnen zowel de verschillende pc’s met elkaar ‘communiceren’ en zijn data veelal onderling uitwisselbaar of converteerbaar. Het heeft een dertigtal jaren geduurd, maar het is inmiddels zover. Die interoperabiliteit heeft de voortschrijdende acceptatie en het gebruik van automatisering in het algemeen en personal computers in het bijzonder mogelijk gemaakt.

Met de komst van The Internet of Things lijkt er weer een aantal, al dan niet nieuwe, interoperabiliteitsproblemen op te doemen. Eerst maar eens beginnen met een (onvolledig en arbitrair) overzicht van de standaarden op het gebied van draadloze internetconnectiviteit voor apparaten.

WiFi

Bijna niet weg te denken als het gaat om domotica-toepassingen. De WiFi-standaard (in al zijn verschijningsvormen) heeft als groot voordeel dat veel huishoudens een dergelijke draadloze netwerkverbindingsmogelijkheid hebben. Zodra je buitenshuis gaat zitten (zonder WiFi-hotspot in de buurt), neemt de praktische bruikbaarheid van WiFi als IoT-connectiviteit drastisch af.

2G/3G/4G (5G)

Vroeger heette het draadloos verbinden van apparaten ‘Machine-2-Machine Communications’ en verliep het veelal via de bekende mobiele netwerken. Een simkaartje in het betreffende apparaat en verbinden maar. Nadelen? Relatief duur en stroomverslindend. Voordelen? Tja, bijna overal heb je tegenwoordig wel een mobiel netwerk liggen. De komst van 5G over een aantal jaren zal de nadelen verminderen, is de verwachting.

Zigbee

Het was eigenlijk nooit echt bedoeld als een middel om IoT-connectiviteit te krijgen, maar diverse fabrikanten (waaronder Philips Lighting voor zijn Hue-lampen) hebben Zigbee inmiddels voor dat doel ingezet. Nadelen? De draadloze gegevensoverdracht via Zigbee heeft een beperkte actieradius en er is speciale hardware voor nodig. Voordelen? Het is een industriebrede standaard en springt zuinig om met energie.

Bluetooth Low Energy

Bluetooth is een gevestigde standaard als het gaat om ’t koppelen van bijvoorbeeld een smartphone met een ander apparaat (auto of headset). Met de komst van Bluetooth Low Energy is de bruikbaarheid van deze technologie voor IoT-toepassingen sterk verbeterd. Nadelen? Er is speciale hardware voor nodig, de fysieke afstand tussen twee verbonden apparaten is beperkt. Voordelen? Relatief lage kosten om apparaten met Bluetooth LE uit te rusten, compatibiliteit met de oudere Bluetooth-standaarden en een hoge mate van energiezuinigheid.

GPRS

Kent u deze nog? Misschien is het inmiddels oeroude technologie, maar het wordt nog steeds gebruikt als manier om apparaten continu in verbinding te laten staan met het mobiele netwerk. De nadelen? Traag, oud en niet zo energiezuinig. De voordelen? Tja.

Sigfox

Uit Frankrijk komt deze speciaal voor IoT-doeleinden bedachte draadloze netwerkinfrastructuur. Het krijgt stilaan meer en meer navolging in diverse landen – waaronder Nederland. Nadelen? Het is een ‘proprietary technologie’ (eigendom van één bedrijf), er moet een aparte fysieke netwerkinfrastructuur voor worden opgezet en het vraagt om Sigfox-compatibele hardware. Voordelen? De kosten voor IoT-apparaten met Sigfox-chipsets dalen sterk, energiezuinig en geoptimaliseerd voor IoT-toepassingen.

LoRa

Deze open standaard voor draadloze IoT-connectiviteit heeft een trouwe aanhang onder zowel hobbyisten, operators, overheden en bedrijfsleven. In Nederlands is er één operator (KPN) die zijn kaarten op LoRa heeft gezet. Daarnaast zijn er diverse initiatieven, veelal regionaal  van aard, die om bijvoorbeeld steden en dorpen of zelfs landbouwgebieden te voorzien van een LoRa-netwerkinfrastructuur. Nadelen? Er is een aparte netwerkinfrastructuur voor nodig en de hardware moet LoRa-compatibel zijn. Voordelen? Het is een open standaard (continue doorontwikkeling zonder dat je vast zit aan de eigenaar van de technologie), energiezuinig en geoptimaliseerd voor IoT-toepassingen.

NarrowBand-IoT

Het staat nog maar in de kinderschoenen als het gaat om de wereldwijde uitrol, maar dat kan zomaar erg hard gaan in een relatief kort tijdsbestek. In Nederland zijn Vodafone en T-Mobile als eerste operators aan de slag gegaan met NarrowBand-IoT. Nadelen? Op dit moment is nog maar een beperkt aantal partijen actief met NB-IoT, er is speciale hardware voor nodig en het kost tijd (en geld) om de bestaande LTE-netwerkinfrastructuur (4G) hiervoor aan te passen. Voordelen? Het is een zogeheten ‘industriebrede standaard’ aan het worden (met name onder de operators en de hardware fabrikanten), het spring zuinig om met energie en het is geoptimaliseerd voor IoT-toepassingen.

Onafhankelijk IoT-keurmerk

Alleen de keuze voor een toekomstbestendige technologie voor IoT-toepassingen kan een aardige nachtmerrie zijn voor organisaties die ‘iets met The Internet of Things’ willen gaan doen. En dan is er nog de vraag hoe je al die standaarden voor draadloze netwerkconnectiviteit met elkaar kunt gaan laten praten. En hoe het met grensoverschrijdende IoT-toepassingen zit (denk aan auto’s en vrachtwagens).

Een onafhankelijk keurmerk voor IoT-connectiviteit zou al aardig kunnen helpen. In zo’n keurmerk zou bijvoorbeeld geregeld kunnen zijn dat er met andere standaarden kan worden gecommuniceerd. Dat scheelt alweer een nachtmerrie. Maar wie moet een dergelijk keurmerk bedenken en verlenen? De nationale overheden, de Europese Commissie, de diverse standaardisatie-organisaties (NEN, ISO en andere)? Of ‘all of the above’?